Nachtvlinder

Zij liep met een stok, Dree ondersteunde haar. Ze waren even lang, altijd geweest. Eerst had ze niet mee gewild, maar omdat hij zo aandrong had ze uiteindelijk haar jas aangetrokken. Ze waren de enigen die in de druilerige regen bij de halte stonden.
De stempelautomaat liet vage zwarte vlekken achter op de roze strippenkaart. Door de vuile raampjes staarden ze naar de hoge herenhuizen die voorbij schoven.
‘Nieuwe kleren doen een mens goed,’ probeerde hij de stilte te verbreken. Ze veegde met een zakdoek haar bril schoon. ‘Eerst de Bijenkorf,’ vervolgde hij, meer tegen zichzelf dan tegen haar.
Op de derde verdieping schuifelden ze tussen de rekken vol rokken en bloesjes door, hij voorop. Af en toe probeerde ze enthousiast een kledingstuk voor haar lichaam te houden, maar ze vroeg zich af waar ze het allemaal voor deed. Hij kwam aanlopen met een donkergrijze plissérok.
‘Pas hem maar even,’ moedigde hij haar aan. Aarzelend liep ze richting de pashokjes in de hoek, zou ze dat ding werkelijk ooit nog dragen? Ondertussen zocht hij iets bijpassends. Ze wachtte geduldig en keek naar haar oude lijf in de smalle spiegel. Het losse vel met rimpels en ouderdomsvlekken zou ze het liefst willen afstropen om een andere huid te passen, jong en elastisch. Op dat moment schoof zijn hand een groen bloesje met kleine witte knoopjes langs het gordijn naar binnen.
Toen ze net getrouwd waren, was hij met geen stok een kledingzaak in te krijgen om voor haar of zichzelf iets uit te zoeken. Hij vond het tijdverspilling. Eens per jaar ging hij naar een herenmodezaak, kocht drie pakken, vijf overhemden, sokken en ondergoed. Voor zijn verjaardag en met kerst gaf ze hem een nieuwe stropdas. En nu was hij het die haar op sleeptouw nam.
Ze had zich twee keer omgedraaid terwijl hij haar nauwkeurig observeerde. Langzaam schudde hij zijn hoofd. ‘Te dof, niet vrolijk genoeg.’ Dat had ze hem ook wel kunnen vertellen. Hij hing de kleding terug, draalde nog wat bij een rek met uitverkoop, maar vond er niets smaakvols tussen zitten.
Op de damesafdeling van Maison de Bonnetterie nam ze plaats op een stoel terwijl hij tussen de rekken door liep en af en toe een kledingstuk omhoog hield. Ze schudde haar hoofd of haalde haar schouders op. Dat tweede betekende dat het acceptabel was. Met zijn armen vol kwam hij terug uit het klerendoolhof. Zuchtend voorzag ze een eindeloze passessie. Wat een privilege leek, welke vrouw wenst immers niet een man die de kledingrekken onvermoeibaar afstruint, werd een steeds grotere kwelling.
Toen ze alles gepast had en weer aan hangertjes had gehangen omdat het te klein, te ruim, te licht of te somber was, had hij het gevonden. ‘Deze jurk, pas die nog even. Hij moet heerlijk zitten, de stof is zo zacht en glad. En de kleur, wat vind je van dat rood? Zwarte pumps zullen er mooi bij staan.’
Een verkoopster kwam zich ermee bemoeien. Ze vond dat mevrouw best een maatje kleiner kon proberen.
‘Is het voor een feestelijke gelegenheid?’
‘Nee hoor, zo maar,’ antwoordde Dree kortaf.
Hij deed een paar passen terug, bekeek zijn vrouw van een afstandje en zei toen dat hij deze maat juist goed vond zitten. De verkoopster droop af.
Ze wilde niet aan vanavond denken, liever aan morgen, wanneer alles weer voorbij was. Eerst zouden ze samen eten, de tv aan op de achtergrond. Aardappels met jus, doorgekookte groenten en een stukje mals vlees. Hij had last met kauwen, alles moest zacht en sappig zijn. Bij het toetje wees ze hem standaard op de vla die van zijn lepel droop als hij een hap nam. Ze wasten samen af en keken naar het nieuws van acht uur. Het leek of ze beide het vervolg uitstelden, zij in ieder geval. Maar als de reclame voorbij was, hees Dree zich uit zijn stoel. Zij volgde hem, ze was niet anders gewend. Zou het vanavond de laatste keer zijn? Een zwanenzang in een nieuwe jurk?

Bij de kassa werd de jurk feestelijk ingepakt, de zwarte pumps gingen in een rode doos met een strik erop. Het was het laatste paar geweest, ze hadden iets te ruim gezeten, maar hij vond ze mooi.
Na twee uur winkelen was ze doodop. De dokter had gezegd dat ze zich vooral niet druk moest maken. Accepteren en berusten, op haar leeftijd was dat het enige wat overbleef. Je verzetten had geen zin, wachten tot het overging evenmin. Het ging niet over.
Hij trakteerde haar op een kopje koffie met soesjes bij het Gouden Hoofd. Een tafeltje aan het raam, zodat ze naar buiten konden kijken, naar andere stellen van in de zeventig die voor de etalages draalden. Zou een van die vrouwen hetzelfde doormaken als zij?
Thuis ging ze, om haar vermoeide lijf wat rust te gunnen, een uurtje op de bank liggen. Hij maakte een cryptogram in zijn stoel naast de kachel, nippend aan een glaasje martini. Drink nooit vermout als je vermoedt dat je ver moet, schoot het door haar heen. Een trieste glimlach speelde om haar lippen, ze had nooit iets vermoed.

Het echtpaar aan de bar kende hem en groette vriendelijk. Bedeesd knikte hij terug. Aan de zijkant van de tap klom hij op een kruk, dan kon hij het hele café overzien. Aan twee tafeltjes zaten mensen te eten, verder was er niemand. Anja zette een groot glas bier voor hem neer en kneep even in zijn hand. Ze wist dat hij het moeilijk had, dat wist de hele buurt. Hij staarde voor zich uit en probeerde op te gaan in de smartlap die door de luidsprekers klonk. Lange uithalen en trillende slotnoten, binnensmonds neuriede hij mee.
Bij het tweede biertje klemde hij een sigaret tussen zijn lippen, alleen hier rookte hij, zijn vrouw had er een hekel aan. Sjors en Govert kwamen binnen, een homostel dat bij hen aan de overkant woonde. Ze gaven hem een vette knipoog en een brede glimlach, zijn wangen gloeiden van verlegenheid.
Het café stroomde vol, aan alle tafeltjes zaten nu mensen, sommigen om te kaarten, anderen om de verhalen van de dag met elkaar te delen. Aan de bar hingen drie eenzame types. Ze zwegen, dronken en staarden. Net als hij.
De donkerbruine wanden, het gedempte licht van de spotjes boven de bar, het getinkel van de glazen die Anja spoelde, dat alles stelde hem op zijn gemak. Hier kon hij het leven aan. De eerste keer had hij onwennig in een hoekje gezeten, maar sinds een aantal maanden was dit zijn vaste plek aan de bar.
‘Dag schatje,’ zei Sjors die een barkruk naast de zijne sleepte en erop kroop. Aan zijn andere zijde leunde Govert tegen de bar. Ze hadden al aardig wat op. Anja zette drie biertjes voor hen neer.
Hij voelde zich altijd een beetje opgelaten als anderen zo dichtbij hem kwamen. Govert sloeg een arm om zijn schouders. ‘En hoe is het nou, meid? Heb je nieuwe kleren gekocht, dat rood staat je goed hoor.’ Sjors dook onder de bar. ‘En nieuwe zwarte pumps.’ Ze grinnikten. ‘Nou, nou, je hebt jezelf verwend. Overdag een rups, ’s nachts een vlinder. Een nachtvlinder.’
Anja glimlachte bemoedigend en haalde haar schouders op. Hij wist het, dit hoorde erbij. Zichzelf zijn had consequenties.
Door de late avond liep hij naar huis. In het toilet had hij de pumps verwisseld voor zijn eigen schoenen, ze waren hem te krap. Een rand rood kwam onder zijn jas uit, het zou de enkeling die hij tegenkwam niet opvallen.
Zachtjes opende hij de voordeur. Zijn vrouw was in slaap gevallen voor de tv, de beelden van een western flikkerden door de kamer. In de badkamer haalde hij de make-up van zijn gezicht, de parelketting en de oorbellen legde hij terug in het sieradenkistje van zijn vrouw. De jurk hing hij op een knaapje tussen haar andere jurken, de pumps zou hij morgen poetsen, die konden dan voor een week de kast in. Toen hij zijn blauwe gestreepte pyjama aan had, wreef hij zachtjes over haar schouder. Ze opende haar ogen en keek hem verschrikt aan.
‘Het is weer voorbij,’ zei hij en deed met de afstandbediening de tv uit.

Gepubliceerd in De tweede ronde, Winter 2008.