Het einde van de schepping

De laatste dagen zijn voorbij,
de zon staat rood, hoog boven de verloren tuin,
de wind blijft uit, geen dier zoekt nu verkoeling,
en met de laatste sprinkhaan
liet ook de mens haar adem.
Woorden liggen stil,
gedachten vinden geen gehoor.

Toch kraakt een stoel onder de kaalgevreten boom,
de slang hangt er verlept en losjes bij,
– ook zij delft nu het onderspit –
stoft het zand om dorre voeten.
God staat op, trekt rimperls in zijn voorhoofd.
Waar ging het mis, in wat leek hij dan niet op mij ?