Pretpark Paradijs

Hier hoeft niemand jaloers op te zijn: zestien vierkante meter houten vloer omgeven door grijze wanden. De planken wijken, diepe spleten vormen scherpe zwarte lijnen, hier en daar bevindt zich een grote knoest of een gat waar ooit een knoest heeft gezeten. De tafel in het midden van de kamer kraakt als ik erop leun. In de hoek naast de deur staat een bed. Het enige raam is vuil, maar niet vuil genoeg om te verhinderen dat ik naar buiten kijk, naar de wereld waarvan ik geen deel meer uitmaak.
De komende weken zal ik hier moeten blijven. Ze zeggen dat dit beter is voor mij. Mijn handen leg ik op het tafelblad en ik trommel met mijn vingers een onbekende melodie. Dit zou een mooie tafel zijn voor een diner, rijk gedekt met duur bestek en grote borden. Twee glazen per couvert, een voor water en een voor wijn, zilveren servetringen om smetteloos witte servetten. Een kandelaar met drie kaarsen in het midden, de vlammetjes dansend op de maat van de gesprekken. Zachte woorden, schalkse blikken.
Laten we ervan uitgaan dat er een mooie vrouw en een wat ouder man aan tafel zijn aangeschoven. Ze willen beiden hetzelfde, ze willen de ander. Hij imponeert, zij, de verleiding zelve, laat zich bespelen en vleit met zoete woorden. Afstoten en aantrekken, ze is erin getraind en weet hoe het moet. Het voorgerecht wordt geserveerd, maar de man is met zijn gedachten bij wat er na het eten staat te gebeuren. Haar diep uitgesneden decolleté helpt hem fantaseren. Haar uitdagende blik bewijst dat ze gewend is aanbeden te worden, uit mannen te kiezen. Ze dept haar lippen, knikt, knipoogt en knijpt zachtjes in zijn hand die op het tafelkleed ligt.

Met mijn hoofd op mijn armen ben ik in slaap gevallen. Om mijn nekspieren los te maken, draai ik langzaam rondjes met mijn hoofd. Pas nu valt de camera me op, hij hangt in een hoek aan het plafond. Als de korte loop van een pistool steekt de lens uit een metalen kastje. Ze hebben dus alles gezien en alles gehoord. Niet dat ik veel gesproken heb, maar ik weet van mezelf dat ik praat als ik alleen ben. Dat weten zij nu ook, want er zal ongetwijfeld een microfoontje inzitten. Als ik op de stoel sta, kan ik er met gemak bij. Ik adem tegen de lens, het beeld moet nu dat van een beslagen douchecabine zijn.
Waarom volgen ze mij? Ik kan toch nergens heen? Het raam kan niet open en het glas is centimeters dik, zelfs met een stoel kom ik er niet doorheen. De deur zit op slot en kan alleen van buitenaf geopend worden. Toch observeren ze mij. Misschien houdt iemand dertig of meer beeldschermen in de gaten waarop kamers staan zoals deze, waarin mensen zitten zoals ik. Ieder met een ander verhaal en een ander bestaan, maar het levert hetzelfde beeld op. Schrijven ze op wat ik doe en wat ik niet doe, hoe vaak ik opsta, naar het raam loop, met mijn hoofd tegen de muur leun? Bevestigt het hun vermoedens, voldoe ik aan hun verwachtingen of ben ik juist onvoorspelbaar in mijn bewegingen?

Op de parkeerplaats staan veel auto’s. Mensen slaan portieren dicht en lopen naar de ingang van het gebouw die zich ergens onder mijn raam moet bevinden. Een kind rent achter een bal aan en wordt geroepen, een aangelijnde hond plast tegen het voorwiel van een auto, de hondenbezitter krijgt een grote mond van de autobezitter. Zo begint het, klein en onbenullig, maar het kan volkomen uit de hand lopen.
Het is beter te observeren dan deel te nemen. Zo moet God zich ook voelen wanneer hij de wereld aanschouwt, want ik geloof niet dat hij zich nog bekommert om de wereld. In zijn situatie zou ik de wereld overlaten aan hen die denken het zonder hem te kunnen. Jullie willen je eigen boontjes doppen? Ga je gang, laat dan maar zien hoe het recht moet zegevieren, mij lukt het niet meer. Met de tien geboden heeft hij nog geprobeerd iets recht te zetten. Nu leunt hij achterover in zijn luie stoel of heeft misschien zelfs wel een hangmat opgehangen tussen twee bomen in het paradijs dat hij na de zondeval weer mee naar huis heeft genomen. Het was tenslotte zijn eerste creatie en die koestert iedereen. Uiteindelijk zal het paradijs ook wel op zolder belanden als hij erop uitgekeken is, maar voorlopig is het nog het mooiste wat hij heeft gemaakt. En wij, wij mogen proberen hem te evenaren. Vreemd dat er nog geen pretpark is dat het paradijs nabootst. Het zou een gat in de markt zijn, niet alleen voor kerkgangers, maar voor iedereen die een leuk dagje uit wil. Een reuzenpython met een appel in zijn bek schiet over een monorail langs idyllische tuinen en watervallen, Adam en Eva ontvangen de kinderen bij de ingang, waar zij zich ook als een van hen kunnen laten schminken. Alle dieren lopen los en zijn ongevaarlijk. In een laboratorium kun je zien hoe wetenschappers dieren en mensen proberen te klonen, op basis van een rib. Of God er in de avondkoelte rond moet lopen, is de vraag. Misschien stuit dat bepaalde mensen tegen de borst. Als het goed gaat en men uit wil breiden, kan de boot van Noach nagebouwd worden en kunnen bezoekers een heuse zondvloed ondergaan. Orkanen en tsunami’s worden dan ook voor hen die alleen maar achter de tv de ellende in de wereld tot zich nemen wat levensechter en begrijpelijker. En wie wil dat niet, de wereld begrijpen en in zijn totaliteit ervaren? We kunnen overal heen, maar de volgende stap is om alles in eigen land levensecht te kunnen meemaken, de wereld dichterbij halen, te beginnen bij een educatief paradijselijk ervaringspark, langs de A1 op de Hoge Veluwe. Ik zou het wel weten, maar ik zit hier, tussen vier muren met een vuil raam om doorheen te kijken.
Nu is het een jongeman die tegenover de knappe vrouw zit. Met dezelfde bedoeling als die van de oudere man: haar in verschillende standjes nemen en in ieder geval zelf vol overgave klaarkomen. Ze laat haar servet vallen, de jongeman bukt zich en wrijft en passant over haar dijbeen. De eerste zet is gedaan. Ze proosten, praten, lachen en eten, en dat alles als aanloop naar wat beiden eigenlijk willen. Na de laatste hap van het dessert dept ze haar lippen zoals altijd en schuift langzaam haar stoel naar achter. Haar fluwelen stem maakt korte zinnen, de jongeman knikt gretig omdat hij weet wat hem te wachten staat. Hij begeleidt de vrouw naar de deur en dan lopen ze arm in arm de straat uit.

Mijn boterhammen worden gesmeerd en al op tafel gezet. De een met een dikke laag jam, de andere met pindakaas, van korst tot korst, het brood eronder is niet meer te zien. Ik heb een hekel aan te dik belegde boterhammen en zeker aan boterhammen die van rand tot rand verborgen worden onder een centimeter zoetigheid. Mensen die hun brood op die manier smeren, hebben iets te verbergen. Zeker als ze er eerst nog boter op doen. Het zijn vaak zwijgzame types die hun brood zo behandelen, ze nemen er de tijd voor, alsof het een uiterst serieuze aangelegenheid betreft en het van groot belang is dat er geen kruimel brood meer zichtbaar blijft. Ze praten niet, ze smeren. Ik heb genoeg van dat soort mensen meegemaakt. Keer op keer verdwijnt hun mes in de jam om die vervolgens als een dikke laag stucwerk aan te brengen en glad te strijken. Daarna nemen ze zorgvuldig een hap en het liefst kauwen ze met hun mond open, waardoor er een miniatuurbetonmolen vol boter, jam en brood in werking wordt gezet. Mijn trek verdwijnt in zo’n geval direct en alleen droge beschuit of biscuit kan mij behoeden voor een aanval van misselijkheid. Ik doe niet meer dan twee of drie halen chocoladepasta of desnoods bosbessenjam op een boterham, zonder boter. Dan heeft mijn tong iets af te tasten: zou het een hap zijn met voornamelijk brood of is er iets zoets aan toegevoegd? Iemand die niets te verbergen heeft, wil ontdekken, iemand die van alles achterhoudt, heeft daar zijn handen vol aan en zou alleen maar meer moeten bedekken als hij ontdekkingen doet.
Nu is echter het tij gekeerd en dat weten ze. Ook ik heb iets te verbergen, al weet ik zelf niet precies wat, maar daarom krijg ik waarschijnlijk deze dik belegde boterhammen te verstouwen. Ik weiger, het liefst gooi ik ze tegen de muur, maar dan moet er weer een witte jas komen om hem schoon te maken. Het blad met de boterhammen zet ik demonstratief aan de rand van de tafel en ik drink alleen de melk. Is dit mijn eerste lunch sinds ik hier zit? Of is dit het ontbijt? Ik kijk naar het bed in de hoek, het lijkt beslapen.

Ze hebben mijn moeder gebeld. Ze hopen dat ik me bij haar op m’n gemak voel en zal gaan praten. Vertellen wat er gebeurd is. Maar ik weet het niet, ik kan het me werkelijk niet herinneren. Daar helpt geen moeder aan.
Ze is ouder geworden, haar haar korter en grijzer dan de laatste keer dat ik haar zag, haar mond omringd door kleine groeven. Ze lacht, maar niet met haar ogen. De kamer is met haar aanwezigheid nog leger, de kaalheid ervan dringt zich voor het eerst onaangenaam aan me op. Terwijl ik hier toch al een aantal uren zit, misschien zelfs een paar dagen.
Door haar hand over het tafelblad te schuiven en de mijne te pakken, probeert ze vertrouwen te winnen. Ik trek hem schielijk terug. Ze vraagt hoe ik me voel. Ik haal mijn schouders op en vergeet te antwoorden. Ze vraagt waarom ik niet wil vertellen wat er gebeurd is. Ik weet dat zij dondersgoed weet wat er gebeurd is. Het moet haar niet verbaasd hebben, ook zij vond het verderfelijk wat er al die tijd speelde.
Dan houdt ze op met vragen. Ze kent me en weet dat het weinig zin heeft, zelfs averechts werkt, om door te vragen. Misschien kan ze dat hier vertellen, dat scheelt tijd, heel veel tijd. Niet mijn tijd, want die heb ik niet meer, maar duurbetaalde werktijd van de mannen in witte jassen.
Ik zet mijn ellebogen op tafel en rust met mijn kin op mijn handen, zij kijkt langs de muren, het plafond, de vloer. Af en toe zucht ze diep. Ik houd van de bijgeluiden van het zwijgen, zoals haar zuchten, mijn eigen zware ademhaling, het verschuiven van een schoen over de vloer, het verzitten waardoor een stoel zachtjes kraakt. Het is een manier van communiceren. Als je erin geoefend bent, zoals ik, zijn er geen woorden nodig, maar is alles te begrijpen en uit te leggen via de bijgeluiden. Alleen weet ik niet of mijn moeder dat ook kan. Of ze het getrommel van mijn vingers kan decoderen, mijn ademhaling kan vertalen.
Door de bijgeluiden wist ik op een gegeven moment of er weer een dinertje gepland stond, ook al noemde mijn vrouw het een vergadering of avondje uit met vriendinnen. Ze schoof met haar voeten over de grond, wreef met haar handen over haar voorhoofd, tikte met een pen tegen haar tanden. Hoe zachter, des te hoe langer het zou duren. Ik wist wat me te doen stond en volgde haar naar restaurants waar ik zelf nog nooit was geweest. In de regen stond ik voor het raam, zodat geen van de klanten of obers me zag, maar ik hield alles in de gaten.
Mijn moeder gaat nog eens verzitten. Ze wordt ongeduldig, ze wil iets vragen of zeggen om het gesprek op gang te brengen. Ik trommel met nog één vinger op de rand van de tafel, vlak voor mijn borst waarmee ik tegen de tafelrand leun. Dat is om te zeggen dat ze van mij mag vertrekken. Het onderhoud heeft lang genoeg geduurd en we zijn geen stap verder gekomen.
De arts, zijn jas is witter dan die van de anderen, zegt dat het goed kan komen, als ik het maar los kan laten en open wil staan voor wat er is gebeurd. Maar wat moet ik loslaten en waarvoor moet ik open staan? Hij heeft een lijst met vragen, stelt ze langzaam alsof ik voor mijn inburgeringsexamen zit en nauwelijks Nederlands spreek. Ik geef antwoorden waarvan ik hoop dat ze goed zijn. Er wordt thee gebracht, hete thee, te hete thee, waardoor we slechts kleine slokjes kunnen nemen.
Een van de vragen is of ik weet waarom ik hier zit. Die vraag komt me bekend voor. Wie hem eerder stelde, weet ik niet, maar het moet dus wel een belangrijke vraag zijn. In sommige gevallen is het goed dat mensen niet meer weten wat hun overkomen is, zegt de arts, maar in uw geval zouden we graag wat specifieker worden ingelicht over de toedracht tot het voorval. Het voorval? Daar hoor ik van op. Dat is voor het eerst dat iemand het over een voorval heeft. Nee hoor, vorige week hebben we daar ook over gesproken en toen wist u zich nog wel iets te herinneren. Zoals wat, vraag ik.
De thee is inmiddels afgekoeld. Ik kan nu grotere slokken nemen. De arts zit met zijn rug naar het raam, de zon geeft hem een stralenkrans om zijn hoofd en zijn bovenlichaam.

De deur gaat open en een man in een witte jas die ik nog niet eerder heb gezien zet een blad op tafel. Een schaaltje met naar nootmuskaat ruikende boontjes, een kommetje jus, aardappels in een metalen bakje en op een wit plastic bord twee stukjes kipfilet met een bruin korstje. En een flesje water om alles weg te spoelen. Een bot mes en een vork waarvan de punten zijn afgezaagd, liggen naast het bord. Als ik wil, kan ik het ding nog steeds in mijn hals of pols priemen, maar het bloed zal er niet snel genoeg uitlopen en via de camera zien ze wat ik doe. Een paar dagen in het ziekenhuis en de wond zal weer genezen zijn.
Ik vouw mijn handen en zorg dat ik niet met mijn rug naar de camera zit, dit moeten ze zien. Als het bidden zelf niet helpt, dan allicht de beelden ervan.
Ik leg de boontjes keurig naast elkaar, als stammetjes hout die omgezaagd zijn en afgevoerd moeten worden. De kip snijd ik in onmetelijk kleine stukjes, en zoals een levende kip geplukt wordt, zo pluk ik het vlees van een dode kip en rafel het helemaal uit. Ondertussen kauw ik op een aardappel. Slikken lukt niet, ik kan het niet weg krijgen. Ik begin met de vork op tafel te slaan, eerst zachtjes, daarna harder. De punten die geen punten meer zijn, prik ik met een grote zwaai in het tafelblad. En nog een keer. Vier, vijf, zes, tien keer. Met beide handen pak ik het dienblad op, spuug de aardappel die geen aardappel meer genoemd kan worden op het bord en smijt met een harde klap het blad tegen de muur. Bruine klodders aardappel met jus glijden langzaam naar beneden. Een paar boontjes zijn de dans ontsprongen en op tafel beland. Ik leg ze in het verlengde van elkaar, zodat er een lange groene worm ontstaat. De deur gaat open. Dezelfde man die het blad heeft gebracht, komt binnen met een lichtblauwe vuilniszak en een stoffer en blik. Het bord en de schaaltjes zet hij op het blad, het eten veegt hij op. We wisselen geen woord.

Ik sta op van tafel en loop een rondje door de kamer. Door het vuile raam naar buiten kijken heeft geen zin, er is niets te zien, een kale parkeerplaats waar twee of drie auto’s staan, daarachter hoge kantoren met donkere ramen. De straatverlichting probeert er nog iets van te maken, maar wat zich toont, is louter het decor waarin ieder moment een moord gepleegd kan worden. Laten we uitgaan van een moord die gepland is, maar moet lijken op het resultaat van een uit de hand gelopen beroving. Een vrouw zoekt naar haar autosleutels en wordt van achter beetgegrepen. Ze schrikt en denkt in eerste instantie dat het om een grap gaat, ze herkent de geur van de man, zijn handen die precies weten waar ze haar moeten beetpakken. Maar de greep van de overvaller verslapt niet. Ze probeert zich los te worstelen en valt op de grond. De man bukt zich over haar heen en grijpt haar bij haar keel, langzaam duwt hij met zijn duimen haar strot dicht terwijl hij de andere kant op kijkt. De ogen van de vrouw zijn wijd opengesperd, niet door ademnood, maar van verbazing. Ze slaat met haar handen op zijn rug en hoofd, schopt in het wilde weg met haar benen. Dan komt er een derde in het spel, een man die langs fietst en stopt. De overvaller ziet hem naderen, maar hij wil en kan de keel niet loslaten. De tweede man heeft de ketting van een fietsslot in zijn handen en haalt daarmee uit. De knielende overvaller kan net op tijd zijn hoofd wegdraaien, op een haar na wordt de vrouw geraakt, het slot vonkt over het asfalt. Opnieuw suist de ketting door de lucht en raakt de overvaller nu volop op zijn achterhoofd. Alles wordt zwart.
Ik draai weg van het raam. Mijn fantasie gaat met me op de loop. Ik weet niet wat ik beleefd heb en wat niet. En wat ik heb bedacht, is vaak realistischer dan wat ik heb beleefd.
Daarom zit ik hier. Omdat ik geen grens zie tussen werkelijkheid en fictie. Nooit gezien heb. Dat is tenminste wat ze denken.

Eerder gepubliceerd in Extaze 8 (tweede jaargang, nr 4) november 2013